Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Anneliese Hackmann

Felikat Bobo's

Mollie Oliver

Claudine Rossi

Waltraut Sattler

Hannie van Leeuwen

Harrison Weir

Lady Marcus Beresford

Dr. Hasse

C.-F. Nordane

Ir. Doeksen

Mm. Ravel

Dhr. Nagel

Mrs. Pring

Pia Hollenstein

Reiny van Haeringen

Maria Falkena

Mundikat en de FIFe

love at first sight

opgetekend door Michael A. Knubben Winter

Een bosje Mundikat, tekening door Carl-Fredrik Nordane uit 1977.

Gelukkige volkeren zijn die die geen geschiedenis hebben wordt er wel eens gezegd. Voor de FIFe gaat dat helaas niet op. Of ze daardoor nu juist wel of juist minder gelukkig is zullen we maar in het midden laten. Vaststaat dat haar geschiedenis bij tijd en wijle verre van fris is geweest en dat diverse wapenfeiten veeleer aanleiding zijn zich diep te schamen dan voor enige trots. De serie Felina Comedia - trieste episodes uit de geschiedenis van de Fédération Internationale Féline (FIFe) - is, omdat zij daar zelf niets aan doet, mede bedoeld als een stukje geschiedschrijving. In deze eerste aflevering * het bizarre verhaal over het ontstaan van Mundikat en haar acceptatie als lid van deze organisatie. Opgetekend ter lering ende vermaak bij gelegenheid van het 20-jarig jubileum van Mundikat op 17 september 1996. **

* De tweede aflevering zal gaan over het inmiddels welhaast beruchte tijdschrift FIFe News en heeft als ondertitel: de dans om het gouden kalf.

** Uitgegaan is van 17.9.1976, de datum van de constituerende vergadering. De notariële akte werd gepasseerd op 21.9.1976. (Felikat Magazine 1976, 5, 153; 2. 1.1977: Reiny van Haeringen aan Pia Hollenstein) Als oprichtingsdatum wordt ook 27.9.1976 genoemd. (Mundikat 1989, 2, 9)


In den beginne was er de FIFe ... of toch niet?

De ellende is allemaal begonnen toen men - voor het eerst in Engeland - op de lumineuze idee kwam de krachten van de toenmalige kattenfokkers te bundelen in één sterke, overkoepelende organisatie. Voorwaar een prima idee, maar de uitwerking stelde, vooral toen later ook Europa bij dit proces betrokken raakte, gaandeweg nogal teleur. Voor alle duidelijkheid daarom eerst een kort overzicht van de geschiedenis van de Cat Fancy op het punt van samenwerking avant la FIFe.

Na in 1871 's werelds eerste kattententoonstelling in Londen georganiseerd te hebben, richt Harrison Weir in 1887 de eerste kattenclub The National Cat Club op. Het duurde niet lang of er ontstonden behoorlijke onderlinge onenigheden. Dit resulteerde in de eerste “dissidente” vereniging The Cat Club, opgericht in 1898 door Louisa Katherine White Ridley, Lady Marcus Beresford (overl. 1920). Het zou tot 1910 duren voordat de vrede getekend werd, bij welke gelegenheid het eerste echte overkoepelende orgaan, The Governing Council of the Cat Fancy (GCCF) het levenslicht ziet. Deze organisatie is nog steeds springlevend en is in haar soort in Europa de enige die nog enigszins naar behoren functioneert. In 1917 werd in België door de dierenarts Dr. Vet. Georges Hasse (1880‑1956) in Antwerpen de vereniging De Vrienden der Kat opgericht die al na korte tijd een groot aantal geaffilieerde groepen kende in o.a. Brussel, Gent, Luik en Mechelen. Op 29 maart 1927 wordt vervolgens de Fédération Féline Belge opgericht. Het komt dan, mede op initiatief van deze Belgische federatie, tot een vorm van samenwerking tussen een groot aantal Europese kattenverenigingen die vanaf de eeuwwisseling her en der waren ontstaan. Dit waren de Cat Clubs de Paris en Champagne, de Governing Council of the British Fancy (GCCF), de Nederlandse Federatie, de Duitse Federatie van Neurenberg (de latere 1. DEKZV e.V.), de Oostenrijkse Federatie, de Deense Federatie en de groep van Genève. Op 8 januari 1933, tijdens de 4de tentoonstelling van de Cat Club de Reims, resulteert dit initiatief in de ondertekening van de zgn. Entente Internationale. De Europese samenwerking is een feit: Wij ondergetekenden, gedelegeerden van de clubs en federaties van Engeland, Duitsland, Frankrijk, België, Holland, Oostenrijk, Denemarken en Zwitserland zijn overeengekomen een overeenstemming [entente] te realiseren voor de reglementen, standaarden, het stamboek en de tentoonstellingen. De heer J.C. Rolandus Hagedoorn, die in 1934 ook aan de wieg van Felikat zou staan, was daar de gedelegeerde namens de Hollandse groeperingen. De Engelse vertegenwoordiger Cyril Yeates tekende, zeer tot ongenoegen van de Franse delegatie, onder voorbehoud van goedkeuring door de leden van de GCCF, iets wat er nooit van gekomen is. Later zegt Lesley Pring, voorzitter van de GCCF, over die nog steeds karakteriserende houding van de Engelsen [...] daar de Governing Council er bijzonder aan hecht dat er geen misverstand over zal bestaan, dat zij vriendschappelijke betrekkingen voorstaat met zowel de onafhankelijke verenigingen als met de FIFe [...] en er niet naar streeft zich té nauw te binden aan één organisatie in het bijzonder. (23.7.1984: Lesley Pring aan Jan Tromp) De tijd heeft geleerd dat dit uitgangspunt binnen de Cat Fancy, wellicht niet het meest ideale, maar zeker wel het meest praktische is.

De inkt is nog niet droog of de eerste problemen dienen zich al aan. In Frankrijk treedt een spitsing op en zo ontstaat in 1933 Les Amis du Chat de Paris waarmee ook de koude oorlog in het kattenwereldje haar intrede doet. In 1934 vormen 11 Franse clubs de Conseil National (later met de toevoeging des Sociétés Félines de France) met dezelfde opzet en doelstellingen als die van de Entente van 1933. In 1937 wordt de Entente opgevolgd door de Conféderation Internationale Féline (CIF) opgericht door de Franse Cat Clubs de Paris en Champagne, de Società Felina Italia, de Cat Clubs de Genève en Vaudois en enkele andere Zwitserse clubs. Kort daarop breekt de Tweede Wereldoorlog uit tengevolge waarvan de verenigingsactiviteiten van kattenminnend Europa de eerstvolgende jaren op een laag pitje zullen komen te staan.

Na de oorlog wordt in 1948 door Madame M. Ravel de Fédération Internationale Féline Européenne opgericht die de doelstellingen, vastgelegd in de Entente van 1933 en de CIF van 1937, moest verwezenlijken, want daar was nog maar weinig van terechtgekomen. De Belgische Vrienden der Kat die net als de GCCF zonder uitzondering met alle organisaties goede betrekkingen wilde onderhouden, kwam daarbij buiten spel te staan. Niet iedereen bleek welkom bij deze club en de leden werden geacht al het andere ‑ God mag weten welke criteria hierbij gehanteerd werden ‑ links te laten liggen. Een van de belangrijkste initiatiefnemers van een Verenigd Europa van kattenverenigingen en bovendien één van de oudste op dit gebied ‑ voorwaar geen dissident ‑ werd zo een van de eersten die buitengesloten werd. Van meet af aan is de FIFE (later valt het Europese weg en wordt ze een self proclaimed wereldorganisatie ... de FIFe) meedogenloos t.o.v. alles en iedereen die haar niet welgevallig is. (O.m. ontleend aan: Reney, 1947; Vrienden der Kat, 1967; Felikat Magazine, 1990, 5, 247‑248)

Het is natuurlijk nooit de bedoeling van Ravel en de haren geweest om een wangedrocht te creëren, dat de Cat Fancy meer schade dan goed zou gaan doen. Helaas is dat wel gebeurd. De oorspronkelijke opzet was, dat fokkers en liefhebbers zich nationaal zouden verenigen in één club die dan op haar beurt lid zou worden van de overkoepelende FIFe. Dit kon ook een federatie van clubs in één land zijn. Zolang het fokken van raskatten nog aan weinigen voorbehouden, dus elitair was en ons nog ons kende, liep alles op rolletjes. Anders werd het toen steeds meer mensen zich voor deze hobby gingen interesseren en het niet langer het exclusieve voorrecht bleef van de happy few. Er ontstonden controversen, verschillen van opvatting over allerhande zaken en niet in de laatste plaats ook grote sociale tegenstellingen. Al gauw vertoonden zich de eerste scheuren in het bolwerk. Was men het met de nationale (FIFe-)vereniging niet eens en liepen de spanningen zo hoog op dat er van verdere samenwerking geen sprake meer kon zijn, dan restten er slechts twee alternatieven: of men hield noodgedwongen op met fokken of men richtte een eigen club op. Dat laatste gebeurde zo vanaf midden jaren‑60 steeds vaker. Deze nieuwe verenigingen konden door de starre bepalingen van de FIFe van deze organisatie geen lid worden. Ze werden met aanmatigende arrogantie dissidenten genoemd.

De FIFe zag dit proces met lede ogen aan, maar vond hierin geen aanleiding om ook maar iets te ondernemen, bijvoorbeeld door haar regelgeving aan te passen en te versoepelen. Niks ervan. Niettegenstaande de steeds groter wordende terugloop van de ledentallen van de gevestigde FIFe‑verenigingen blijft ze, tegen de verdrukking in, toch nog vrij lang de grootste en meest invloedrijke organisatie op haar terrein in West‑Europa. Het eerste echte grote debâcle liet echter niet lang op zich wachten. Dit speelde zich af in Oostenrijk en het tweede, hoe kon het ook anders, kort daarop in ons eigen Nederland.

Aller Erdreich ist Österreich Untertan! 

Alhoewel uiteindelijk de problemen in zowel Oostenrijk als Nederland op één en dezelfde wijze werden opgelost, door twee verenigingen in één land toe te staan, lagen er aan de ontstane problemen volstrekt verschillende zaken ten grondslag. Voor alle duidelijkheid eerst in het kort deze Oostenrijkse affaire, waarnaar herhaaldelijk verwezen zal worden.

In Oostenrijk was zo rond 1974-'75 naast de bestaande Klub der Katzenfreunde Österreichs (KKÖ), de nationale FIFe‑vereniging, een nieuwe grote organisatie ontstaan de Österreichischer Verband für die Zucht und Haltung von Edelkatzen (ÖVEK). De meeste fokkers hadden de KKÖ de rug toegekeerd en waren lid van deze (dissidente) club geworden. De KKÖ representeerde niet meer dan een handje vol overgebleven getrouwen. Dat ging te ver. Een paar kleine onbeduidende clubs in een land er bij, dat was nog te verteren, daar kon je gewoon boven staan. Daarvan kon je zeggen dat ze maar wat aan rommelden, dat hun stamboek niet deugde en bovenal natuurlijk, dat diegenen die daar lid van waren per definitie een soort tweede‑ of derderangs fokkers waren. Maar ja, wanneer een heel land je dreigt te ontvallen, dan gaat dat soort geleuter niet langer op en trapt niemand daar nog in. Ziedaar in een notendop het Oostenrijkse probleem dat werd opgelost door in Oostenrijk, niettegenstaande alle regels, toch een tweede FIFe‑vereniging toe te laten.

De KKÖ die natuurlijk niet geroyeerd kon worden was razend. Kon het haar verweten worden dat ze bijna al haar leden aan een niet‑FIFe‑club was kwijtgeraakt? Toch zwichtte de FIFe: de ÖVEK werd naast de KKÖ volwaardig lid. Het precedent was geschapen, er was nu een land met meer dan één FIFe‑vereniging. De regels werden - éénmalig dacht men toen ‑ opzij gezet t.b.v. de kwantiteit, het ledental in een bepaald land. Van een echte samenwerking tussen beide clubs, waar de FIFe op aandrong, is het net als later in Nederland tussen Felikat en Mundikat nooit echt gekomen. Tot op de dag van vandaag bestrijden beide Oostenrijkse verenigingen elkaar nog geregeld te vuur en te zwaard met alle nadelige gevolgen voor de fokkers, die van dit soort ongein altijd de dupe worden. 

Who is the boss? 

Men vraagt zich wellicht af hoe dit soort zaken dan in godsnaam binnen de FIFe organisatorisch geregeld is. Er zijn toch regels! Formeel is dat ook zo en er is zelfs een zeer uitgebreid pakket regels en statutaire bepalingen. Op papier is alles tot in de kleinste details geregeld. Toch kan men met al deze regels en bepalingen behoorlijk goochelen. Wat dat betreft was de oplossing van de Oostenrijkse zaak feitelijk kinderspel.

Ter illustratie een paar voorbeelden. Van tevoren was niet aangekondigd [...] dat de voorzitter zou aftreden. Het lijkt er wel op dat [de verkiezing van] een FIFe‑voorzitter een zo onbelangrijk iets is dat de leden van de FIFe over zijn opvolging vooraf niet hoeven te discussiëren (of dat niet mogen), maar dat zijn benoeming ad hoc overgelaten kan worden aan de gedelegeerden. [...] De nieuwe voorzitter was “zo verbaasd” over haar benoeming [Pia Hollenstein] dat zij haar toespraak thuis al had uitgetikt, samen met een vertaling. [...] Toen voor de laatste ALV de acceptatie van een nieuw lid werd aangekondigd, werd iedereen in de veronderstelling gelaten dat het hier om Brazilië ging, maar nee, het was Australië. Weigerde Uw typemachine dat woord te tikken, of wat? Onder deze bestuursvoorstellen stonden drie namen, maar de heer Stein [penningmeester van de FIFe] wist van niets. Het is waar dat U zich hiervoor heeft verontschuldigd, maar wel “sotto voce” in het Frans, zodat de meerderheid van de gedelegeerden dit niet kon verstaan en het is ook niet in de notulen opgenomen. Iedereen kan nog steeds denken dat de heer Stein instemde met deze hoogst merkwaardige voorstellen. [...] Australië vroeg daarbij helemaal niet om lid te worden, maar slechts om een affiliatie met de FIFe, wat wel even iets anders is. Waarom dan toch zo aandringen op lidmaatschap? [...] Het enige argument dat gegeven werd luidde dat Australië dan onze keurmeesters zou erkennen en er jaarlijks eentje zou uitnodigen om te komen keuren. [...] Het is raar, maar [...] Australië werd alleen maar als lid geaccepteerd om 3 of 4 keurmeesters een gratis reisje naar Australië te bezorgen. [...] Op de ALV werd het lidmaatschap van Australië verschoven naar de volgende ALV, toch schrijft U in Uw verslag, dat Australië als lid geaccepteerd was met 10 stemmen voor en 2 tegen, iets wat U domweg uit Uw dikke duim gezogen hebt, want er is helemaal geen stemming geweest. [...] Ik moet zeggen dat ik deze vorm van sluwigheid binnen de FIFe totaal zat geworden ben en ik beschouw mij daarom vanaf heden niet langer vice‑voorzitter en ook niet meer als lid van de keurmeesterscommissie [van de FIFe]. (9.9.1973: Dr.Ir. Jan Doeksen aan Brita Kastengren‑Remborg)

Zo ging dat toen en het is alleen maar van kwaad tot erger geworden. In een rapportage over de ALV van 1991 ( Estoril) konden de ongetwijfeld verbaasde Mundikat‑leden lezen: Mundikat ... werd overal buitengehouden. Stel je voor dat de plannetjes uitlekten ... maar veel plannetjes lagen al klaar. Dat er veel werd bekokstoofd was goed merkbaar ... het was slechts nog een kwestie van de juiste mensen in te kunnen zetten als sprekers op de vergadering en daarmee de rest te overtuigen. Wat in 1990 niet lukte, lukte nu wel. [...] De statuten worden te pas en te onpas gebruikt, al naargelang men ze wel of niet gebruiken kan. Kan men ze niet gebruiken dan is de Algemene Vergadering opeens het hoogste orgaan en is alles mogelijk. Wanneer dit niet zo uitkomt wordt een belangrijke zaak afgedaan met “volgens de statuten mag/kan dit niet.” (Mundikat Magazine, 1991, 4, 7)

Door al dit geharrewar raakt de FIFe met de regelmaat van de klok verzeild in juridische procedures. Zo werd over de afzetting van Molly Oliver als voorzitter en de volstrekt onreglementaire gang van zaken op de ALV in Estoril door het FIFe‑lid San Marino bijna 5 jaar geprocedeerd. Dan was er midden jaren-90 de beschamende affaire FIFe News, die door het uitspelen van allerlei mensen tegen elkaar, het doelbewust saboteren van de voortgang en meer van dat fraais, jarenlang weinig tijdschriften opleverde maar wel een gigantische onkostenpost. In deze zaak vond de FIFe haar Waterloo in het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 21.5.1996, waarbij zij volledig in het ongelijk gesteld werd: wanprestatie en onrechtmatig handelen en tot betaling van bijna ƒ14.000,00 schadevergoeding veroordeeld werd. De uiteindelijk door de FIFe verloren zaak tegen Claudine Rossi‑Dasset inzake het tijdschrift Nos Chats van enige jaren daarvoor kostte haar alleen al aan proceskosten een fortuin (ca. 40.000 ZwFr). Vervolgens kwamen er problemen met Frankrijk ( FFF) die met een rechtszaak dreigt i.v.m. het vice-voorzitterschap van Fabrice Calmes die, omdat hij in Frankrijk geroyeerd werd, nu geen  lid meer van een FIFe-club is, maar nog wel deel uitmaakt van haar bestuur. En zo kun je nog wel even doorgaan.

De reden dat allerlei zaken die gemakkelijk in goed overleg kunnen worden opgelost en bij een strikte naleving van de eigen regels vermeden hadden kunnen worden zo escaleren, ligt voornamelijk daarin dat a. niemand binnen de FIFe enige verantwoording durft te nemen -je zou er wel eens op aangesproken kunnen worden en die leuke baan kunnen verliezen - en b. men zo wereldvreemd is en aan zo’n enorme zelfoverschatting lijdt, dat het bij de meeste functionarissen van dit clubje niet opkomt, dat de FIFe ooit wel eens ongelijk zou kunnen hebben of dat haar regels en besluiten wel eens in strijd zouden kunnen zijn met die van de normale rechtspleging in de diverse landen. Men denkt overal boven te staan, de wet incluis, en dat breekt op den duur op.

De besluitvorming op de algemene vergaderingen van de FIFe begint meer en meer op een koehandel te lijken dan op die van een aantal, hun verantwoording bewuste mensen die, op kosten van hun leden (de fokkers), jaarlijks weloverwogen de problemen m.b.t. het fokken en houden van raskatten bespreken en uitsluitend op basis daarvan hun besluiten baseren. Waltraut Sattler, de voorzitter van de 1. DEKZV e.V., het Duitse FIFe‑lid, antwoordde een verontruste fokster op de vraag waarom zij in Estoril tegen een bepaald voorstel ‑ de erkenning van de gekleurde Turkse Angora’s ‑ had gestemd doodleuk: U ziet het, het heeft niets te maken met een gebrek aan logica of dierenliefde en al helemaal niets met een zakelijke instelling, wanneer men op basis van de hiervoor genoemde gronden [hier niet van toepassing zijnde FIFe‑regeltjes] tegen een voorstel stemt. Dit verwijt kan men hoogstens diegene [Mundikat] maken die probeerde, door het ontduiken van zelf erkende regels, “voordelen” voor zichzelf binnen te halen, maar bij andere gelegenheden tot generlei concessies bereid bleek. (13.9.1991: Waltraut Sattler aan Karin Tartler) Wat dan wel die voordelen voor Mundikat geweest zouden kunnen zijn blijft volstrekt onduidelijk. Resultaat was wel dat meer dan driekwart van alle fokkers van de Turkse Angora in Nederland en Duitsland de FIFe de rug toekeerden en er weer een dissident in de gedaante van de 1.Internationaler Türkisch Angora & Van Club e.V. bijkwam!

Sommigen gaan zelfs zover dat ze het bekokstoven vooraf, het intrigeren en lobbyen als maatstaf gaan zien en zelfs propaganderen: [...] dat de FIFe vergelijkbaar is met de politiek. Net als in de politiek spelen allerlei belangen een rol, de persoonlijke niet uitgezonderd. De besluitvorming is, net als in de politiek, vaak ondoorzichtig en gelukkig worden meestal verstandige besluiten genomen. Het is alleen als nuchtere Hollander moeilijk te aanvaarden dat goede besluiten ook op oneigenlijke gronden genomen kunnen worden. [...] Hoewel de uitslag [van een stemming], die hij [FIFe‑voorzitter Barrie Jimmieson] zelf voorlas, uitwees dat zijn standpunt het niet had gehaald, was hij zo overtuigd van zijn overwinning dat hij hierna beweerde dat het voorstel “dus was aangenomen”. [...] Verdere lobby‑activiteiten en een herstemming de volgende dag zorgden er voor, dat hij in tweede instantie toch gelijk kreeg. Veel mensen op de publieke tribune waren hierover zeer ontstemd, maar ik [Huub Scholten] niet. Het spel was immers door de voorzitter geheel volgens de regels en tradities gespeeld? (Felikat Magazine, 1990, 6, 316) Daar lusten de honden toch geen brood van!

Daarbij is natuurlijk ook de merkwaardige regeling van het stemrecht niet iets wat echt bijdraagt aan een democratische besluitvorming. Ieder lid heeft één stem, of men nu 100 of 10.000 mensen vertegenwoordigt. Dat geeft scheve verhoudingen en is vaak aanleiding voor allerlei obscure machtspelletjes. Immers als je iets voor elkaar wilt krijgen heb je altijd de steun nodig van een aantal FIFe‑splinters zoals Brazilië, Liechtenstein, Luxemburg, Maleisië, etc. die verder weinig voorstellen. Als daarbij ook nog eens landen als Oostenrijk en Nederland maar liefst twee stemmen hebben ‑ er zijn daar immers twee FIFe‑leden ‑ dan is het hek helemaal van dam. Elke serieuze poging tot wijziging van de statuten om die verhoudingen te normaliseren is gedoemd te mislukken. Dan moet tweederde van de leden er voor zijn en aangezien bijna de helft van de FIFe‑leden min of meer als splinters moet worden aangemerkt ligt het niet voor de hand, dat zij eraan zullen meewerken hun verworven rechten op te geven.

Niet in de laatste plaats is een groot probleem bij de FIFe, dat haar bestuur meestal grotendeels uit keurmeesters bestaat. Ook de besturen van veel van de aangesloten leden worden door keurmeesters gedomineerd. Deze treffen elkaar geregeld op shows en kunnen zo allerlei zaken ver voor de definitieve besluitvorming op de ALV klaarstomen. Niet‑keurmeesters zijn en blijven in dit milieu outsiders en hebben weinig of niets in te brengen ongeacht hun eventuele kennis van zaken. Dat keurmeesters per definitie strikt onafhankelijk moeten zijn en dat die onafhankelijkheid op gespannen voet staat met dergelijke bestuursfuncties, waarbij al gauw een ongewenste verstrengeling van belangen kan optreden, lijkt niet ter zake te doen!

Laten we nu terugkeren naar het eigenlijke onderwerp van deze bijdrage: de acceptatie van Mundikat als autonoom lid van de FIFe.

Den tirannie verdrijven die mij mijn hert doorwondt 

Was de zgn. leukemie‑kwestie nu werkelijk de enige aanleiding voor de afscheiding van Felikat in 1976, zoals nog steeds vaak wordt beweerd? Het antwoord is: nee, absoluut niet. Het was hoogstens de druppel die de emmer voor een aantal mensen deed overlopen. Wat was die leukemie‑kwestie nu precies? Het kwam er in het kort op neer dat Felikat, de Nederlandse poot van de FIFe, besloot dat de leden al hun katten jaarlijks moesten testen op eventuele besmetting met het leukemie‑virus, een ziekte die in die jaren veel slachtoffers maakte. Dat was een uitstekende maatregel, ook al waren de testen toen nog niet zo betrouwbaar als tegenwoordig. Daar ging het bij de opstandelingen ook niet echt om. Het was de autoritaire en aanmatigende houding die het Felikat‑bestuur, zoals ook nu nog vaak, aannam t.o.v. haar leden en die sommigen meer en meer in het verkeerde keelgat ging schieten. In 1976 was de maat vol en een aantal min of meer prominente leden, onder aanvoering van o.a. Maria Falkena‑Röhrle, stapt uit Felikat. Zij beogen een eigen vereniging oprichten die bij voorkeur wel binnen de FIFe zal blijven.

Aan de hand van de toen gevoerde correspondentie tussen allerlei FIFe‑bestuurders en ‑commissie leden, tussen de verenigingen en een aantal individuele fokkers/keurmeesters zal geprobeerd worden de toenmalige gang van zaken te reconstrueren. Diegenen die denken nu eindelijk eens de complete waarheid te zullen horen moet ik teleurstellen. Dat is onmogelijk. Veel materiaal ging inmiddels verloren of werd bewust vernietigd. Ook een aanzienlijk deel van de door mij geraadpleegde stukken was voorbestemd om haar einde in de papiervernietiger te vinden. Een aantal betrokkenen leeft niet meer en van diegenen die alles indertijd wel van nabij hebben meegemaakt is er maar een enkeling die hierover iets anders dan de officiële, doorgaans geflatteerde, waarheid kwijt wil. Men zwijgt of kletst maar wat. Zo schrijven Reiny van Haeringen en Simone Rooker, Mundikatters van het eerste uur, bij gelegenheid van het 12,5‑jarig jubileum: In de loop van 1975 waren er een groot aantal leden van Felikat die grote onvrede hadden met de gang van zaken in deze vereniging. [...] Zonder dat er nog sprake was van Mundikat had de heer J. Doeksen, ex‑voorzitter en erelid van Felikat, een gesprek gehad met het bestuur van Felikat over een eventuele federatie van kattenfokkersverenigingen in Nederland. Het gesprek had tot teleurstelling van de heer Doeksen, geen resultaat en hij en de groep ontevredenen gingen zich beraden om te komen tot een tweede FIFe‑club, die een redelijk alternatief zou bieden aan kattenfokkers met andere opvattingen. En zo werd Mundikat officieel opgericht [...] (Mundikat 1989, 2, 9) Een wel heel simplistische weergave van de feiten, waaraan nogal het een en ander ontbreekt. Zo wordt de ware initiatiefneemster, Falkena, in dit artikel niet eens genoemd! Verder biedt dit relaas niet veel meer dan een aardige beschrijving van de noeste arbeid die velen in die tijd ongetwijfeld tot voordeel van de nieuwe club hebben verricht, maar voor hen opzoek naar een gedegen historisch overzicht biedt het weinig soelaas.

1976 ‑ gedonder in de glazen

Om te weten te komen hoe het allemaal precies begon kunnen we ons goed baseren op de mededelingen van Falkena uit 1977: Toen een groep van leden van Felikat tevergeefs had geprobeerd, het ‑ volgens haar te dictatoriale ‑ bestuur van Felikat te vervangen, heb ik een bezoek gebracht aan de presidente van de FIFe, Mevr. Hollenstein in Zwitserland en haar gezegd, dat er een nieuwe groep van Felikat ‑ (dus ook FIFe‑)fokkers uit de FIFe zou treden, als er niet een uitwijk mogelijkheid zou worden geschapen in de vorm van een tweede kattenclub in Nederland die bij de FIFe zou moeten worden aangesloten. Mevr. Hollenstein toonde veel begrip voor onze situatie en wees mij op een soortgelijke situatie in Oostenrijk, waar men naar een interim‑oplossing werkt, met het doel van een uiteindelijke erkenning. Een soortgelijk gesprek voerde ik later met de vice‑presidente van de FIFe, Mevr. Heuser in Wiesbaden. (Maart 1977: Maria Falkena‑Röhrle aan Mundikat) De groep vraagt Dr.Ir. J. Doeksen om als voorzitter te fungeren, die daarin toestemt.

Het FIFe-bestuur schrok zich natuurlijk rot. Het gaat in Nederland niet zoals in Oostenrijk om een grote groep die zich van de bestaande FIFe‑vereniging afkeert, nee hier is iets anders aan de hand. Onder deze Felikat‑leden ‑ ca. 60‑150 fokkers ‑ die wil opstappen, zijn maar liefst 6 FIFe‑keurmeesters. Kijk en dan ligt de zaak wel even anders. Fokkers en liefhebbers worden vaak niet anders gezien als bijzaak, de franje die het geheel moet aankleden en kleuren. Keurmeesters, dat is waar alles om draait. John Beintema, ooit voorzitter van Mundikat, presteerde het om tijdens een informele bestuursbespreking (1989) bloedserieus op te merken, dat wij (stervelingen) groot respect dienden te hebben voor FIFe‑keurmeesters en dat wij deze mensen als een soort halfgoden moeten zien. Doelde hij toen vooral op zijn gekwetste echtgenote, FIFe‑keurmeester Erica Beintema die, zeer tot haar ongenoegen niet op kosten van Mundikat naar de FIFe‑ALV in Wenen kon gaan en wilde hij zo de andere bestuursleden eens goed met de neus op de feiten drukken of had hij het gewoon zwaar te pakken? We zullen er wel nooit achter komen.

Terug naar 1976: In de tussentijd heeft zich de zaak precies zo ontwikkeld als wij al gevreesd hadden. [...] Nu toont zich voor Holland het ongeluk in volle omvang en dreigend staat de totale ineenstorting voor de deur. [...] Andermaal staan wij voor de zware opgave om in de interne verhoudingen van een van onze lidlanden te moeten interveniëren. En net als voorheen moeten wij daarbij al ons diplomatieke inzicht aanwenden om de beide strijdende partijen tot overeenstemming te brengen. (30.6.1976: Carl‑Fredrik Nordane aan Pia Hollenstein) Deze opmerkingen zijn op z'n zachts gezegd een beetje huichelachtig! Achter de schermen was er duidelijk al het een en ander afgesproken en geregeld. Nordane, weliswaar lid van de disciplinaire commissie van de FIFe en zeker tot enige discretie verplicht, zendt kopie van de hiervoor genoemde brief aan Reiny van Haeringen. In een begeleidende notitie laat hij haar, een van de drijvende krachten achter Mundikat, weten: Een gunstig resultaat kan ik niet garanderen alhoewel ik wel mijn uiterste best zal doen. [...] Het briefhoofd van Mundikat met het slapende katje was voor mij als een zinnebeeld van de huidige situatie. Laten we hopen dat ze straks vrolijk wakker wordt op het gelukkige uur waarop wij het loon van onze arbeid zullen ontvangen. (1.7.1976: Carl‑Fredrik Nordane an Reiny van Haeringen)

FIFe‑bestuursleden mengen zich ook achter de schermen in de zaak, elk zo op zijn of haar eigen wijze. In Offenbach heb ik U tussen neus en lippen beloofd U direct te berichten zodra ik met de heer Stein ruggespraak gehouden zou hebben over de oprichting van een nieuwe FIFe‑club. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden en zoals U al vertrouwelijk werd meegedeeld was in juni ook het nieuwe Felikat‑bestuur bij mij om met mij op een lijn te komen wat betreft de toekomstige samenwerking tussen onze beide Clubs. Mijn indruk van de heer Nagel, de heer van der Putten en Mevr. van Leeuwen‑Coenradi was, dat geen van hen erg gelukkig was met de besluiten zoals die genomen zijn op de laatste ALV. [...] tot op heden heb ik van Mevr. Remborg nog geen standpunt t.a.v. de opgeworpen problemen vernomen. In hoeverre Mevr. Hollenstein actief geworden is kan ik evenmin zeggen. Ik weet echter dat zij zich zeer inspant om koste wat kost een verdere versplintering van de FIFe tegen te gaan. (5.7.1976: Lottemarie Heuser aan Reiny van Haeringen)

Er wordt druk gecorrespondeerd: Refererend aan Uw brief van 5.8.1976, als secretaris van Dr. Doeksen [...] zult U inmiddels de agenda voor de komende FIFe‑ALV in Wiesbaden in Uw bezit hebben en weten, dat de kwestie m.b.t. het lidmaatschap van een nieuwe club, in een land waar al een FIFe‑club is, besproken zal worden. In een begeleidend informeel briefje lezen we: Ik weet niet waar U “staat” in de huidige Nederlandse club‑situatie en het kan me niets schelen ook. Ik doe alleen maar mijn werk als secretaris voor de FIFe en tot de komende ALV is Felikat voor mij de enige FIFe‑club [in Nederland]. Ik zou graag willen weten of U ook Dr. Doeksen’s secretaresse was in 1973 toen de hier bijgevoegde brief [d.d. 9.9.1973, zie hiervoor] aan alle FIFe‑leden werd gezonden. Een brief van een klein boos jongetje, die niet dat kreeg waarop hij al jaren zo hartstochtelijk had gewacht [...] Verontschuldig mij wanneer ik niet zo vriendelijk ben t.o.v. Dr. Doeksen, maar ik vraag me af of hij de FIFe‑ALV op 15.11.1968 in Brussel is vergeten, toen hij weigerde Neocat als lid te accepteren [...] Ik denk niet dat hij zich toen zou hebben kunnen voorstellen zelf ooit in zo’n positie te zullen geraken, waarin Neocat zich toen, in 1968, bevond. (31.8.1976: Brita Kastengren‑Remborg aan Reiny van Haeringen)

Op 16.10.1976 zegt Felikat het lidmaatschap van Van Haeringen en enkele anderen op n.a.v. een brief d.d. 8.10.1976, waarin de oprichting van Mundikat wereldkundig gemaakt wordt. De strijd gaat nu in alle hevigheid ontbranden, waarbij de afloop vooraf al vaststaat. Felikat zal bakzeil moeten halen en zal de komst van een tweede FIFe‑vereniging in Nederland niet kunnen verhinderen. Rekken kan ze de zaak nog wel en dat zal ze doen ook!

Felikat, die van alle troubles natuurlijk prima op de hoogte was, vindt het dan eindelijk eens tijd haar leden te informeren. Dat gebeurt op de BALV d.d. 29.9.1976. Tevens bereikten het hoofdbestuur diverse vragen omtrent een nieuwe kattenvereniging in ons land die geruisloos tot de FIFe zou zijn toegelaten. Het Felikat‑bestuur citeert dan uit haar brief d.d. 9.4.1976 ‑ het broeit al langer ‑ aan (vermoedelijk) Falkena: Het hoofdbestuur is van mening, dat zij op dit moment niet kan beoordelen hoe een nieuw op te richten vereniging, ontstaan uit onvrede met een door haar algemene vergadering uitgestippelde gedragslijn, alsmede met het ten deze gevoerde bestuursbeleid, een basis in zich kan hebben, die voldoende vertrouwen biedt voor een federatieve samenwerking in welke vorm dan ook. Ter voorkoming van teleurstelling zou zij het, alvorens hierover serieus te gaan denken, derhalve op prijs stellen te vernemen hoe U zich voorstelt een en ander te realiseren. Alhoewel Felikat hier duidelijk zinspeelt op een eventuele federatieve samenwerking met een andere Nederlandse partner‑club zegt zij in deze bestuursmededelingen ook: Bij de behandeling van de Oostenrijkse problematiek maakte één van de gedelegeerden nl. melding van een soortgelijke situatie in Nederland, een mededeling die door onze gedelegeerde op afdoende wijze werd ontzenuwd. Nimmer was nl. door het hoofdbestuur van Felikat een verzoek tot samenwerking in FIFe‑verband van een andere vereniging ontvangen. Daarmee lijkt de kous vooreerst af.

Dit stukje in Felikat Magazine barst van de tegenstrijdigheden. Enerzijds weet men van niets, anderzijds blijkt men volledig op de hoogte. Dan weer is samenwerking zo goed als uitgesloten, in een andere alinea staat ze er volledig voor open. De totale verwarring! Aan het slot lezen we de volgende feiten en conclusies: Mundikat berichtte Felikat op 8.10.1976 (ontvangen door Felikat 15.10.1976) dat zij bij notariële akte d.d. 21.9.1976 was opgericht. Bij de oprichters worden genoemd de (voormalige) Felikat‑leden: M. Falkena, R. Van Haeringen, N. Heufkens en M. Schooneberg. [...] Het hoofdbestuur heeft geconstateerd dat: a. het lidmaatschap van een Felikat‑lid bij een kattenvereniging buiten Fife‑verband onverenigbaar is met de reglementen van onze vereniging; b. bij de betrokken personen een meer dan gemiddelde kennis van onze reglementen verondersteld mag worden. [Iedereen behoort de wet te kennen maar sommigen wat beter dan anderen.] Tot haar leedwezen heeft het hoofdbestuur dan ook gemeend, het lidmaatschap van voornoemde leden met onmiddellijke ingang als geëindigd te moeten beschouwen. Binnen het hoofdbestuur heerst teleurstelling over de wijze waarop leden van onze vereniging bereid blijken te zijn [...] niet te schromen zelfs zover te gaan door [...] een dissidente vereniging op te richten. (Felikat Magazine, 1976, 5, 153)

Ook in een later (volledig) verslag van de BALV van 29.9.1976 komt de affaire Mundikat ‑ zij het indirect ‑ aan de orde. Een van de aanwezige leden, de heer Verloop, spreekt zijn verbazing uit over het feit dat op de laatste FIFe‑ALV in Wiesbaden Felikat niet alleen zoals normaal te doen gebruikelijk door een tweetal gedelegeerden (i.c. Dr. Alkema en Mevr. Van Winsen) vertegenwoordigd werd, maar dat daar ook het voltallige dagelijkse bestuur aanwezig was! Het bestuur antwoordt [...] dat gezien de grote belangen die op deze vergadering voor Felikat speelden [...] het bestuur besloten had buiten de normale afvaardiging een representatieve bestuursdelegatie naar deze vergadering te zenden teneinde zonodig de afgevaardigde te instrueren. Uit het verslag dat dan door de heer Alkema gegeven wordt blijkt al gauw waar de schoen wrong: [...] ter discussie stonden voorstellen tot wijziging van de procedure voor toelating van nieuwe clubs tot de FIFe en een voorstel tot volledige herschrijving van de statuten. Uit de discussie over deze voorstellen bleek, dat aanneming verandering van een groot aantal artikelen uit de statuten noodzakelijk zou maken. [Dat dankt je de koekoek!] De vergadering besloot daarop om een commissie van vier in het leven te roepen, t.w. de Heren G. Henze (Edelkatze), J. Ahlvind (Sverak), Pörscht Jr. (Klub der Katzenfreunde Oesterreichs) en Dr. H.J. Alkema (Felikat), die in een tijdsbestek van 6 maanden statutenwijzigingen zal moeten uitwerken, speciaal gericht op de procedure tot toelating van nieuwe clubs, onder handhaving van de bestaande fundamentele grondslagen van de huidige statuten. Dat zou een moeilijke opgave worden, want de veranderingen zoals die beoogd werden, zouden onherroepelijk die zo gekoesterde grondslagen behoorlijk aantasten! Over de dissidentie in Nederland [wat een uitdrukking toch] merkte de heer Alkema op dat de groep ontevreden leden die op dit moment van zich deed spreken niet de moeite had genomen Felikat op de hoogte te brengen van hun wensen of bezwaren doch kennelijk wel met FIFe bestuursleden contact hadden genomen. Ook hadden ze afgevaardigden naar Wiesbaden gestuurd. Uiteraard kon de FIFe‑vergadering in dit geval geen beslissingen nemen. De groep werd uitgenodigd officieel kenbaar te maken [sic] en de normale procedure te volgen en uiteraard af te zien van anti‑Felikat acties. Hij voegt daaraan toe, wellicht om de gemoederen te bedaren: dat Felikat zou dienen te bevorderen dat redelijke dissidente verenigingen uiteindelijk tot de FIFe zouden moeten kunnen toetreden. Het zou deze laatste zinsnede zijn waaraan Mundikat kort daarop, bij haar aanmelding als lid op 10.5.1977, refereert en waarmee zij wil aantonen dat haar toetreding tot de FIFe de instemming van de bestaande Nederlandse FIFe‑club, Felikat, zou hebben. (Felikat Magazine, 1977, 2, 17‑18) Dit alles lijkt zo op het oog een redelijk standpunt, maar in de praktijk zou Felikat alles op alles zetten om de toetreding van Mundikat zo lang mogelijk uit te stellen. En daar is ze, dat valt niet te ontkennen, heel goed in geslaagd!

Steeds vaker wordt nu ook de ware oorzaak van al die drukte over dat groepje ontevreden Felikat‑leden genoemd: Van Hollands 9 keurmeesters zijn althans voorlopig 6 daarvan voor de FIFe verloren gegaan en voorlopig ook ca. 150 leden, waaronder een groot aantal prominente fokkers. Waarvoor heeft de FIFe een disciplinaire commissie? Waarom dan nu die gekke Neutrale Commissie voor het Hollandse Vraagstuk? Waarom houdt de Felikat‑voorzitter zich op de achtergrond en wat heeft de heer Alkema nu feitelijk voor een functie? Zodra men ook maar een punt bereikt waarover men overeenstemming zou kunnen bereiken, dan heeft die man opeens geen mandaat en is slechts als onderhandelaar aanwezig! Niks anders dan je reinste jennen. De heer Alkema heeft het altijd maar over democratie, maar tegelijkertijd wil hij maar één club voor heel Nederland! Hij heeft de onderhandelingen in volkomen verwarring gebracht en wel door zijn verbale diarree. Zijn tactiek is voor mij in ieder geval volkomen duidelijk: hij wil het hele probleem op de lange baan schuiven en door oneindig onderhandelingen Mundikat zo uitputten dat ze uiteindelijk geen andere uitweg meer zien dan naar de dissidenten over te gaan. (En als het gehele Mundikat over zou gaan dan zou dat een reusachtig kerstgeschenk voor de dissidenten zijn. Ik kan me in zodanig geval al de jubel‑propaganda van die kant voorstellen.) (6.12.1976: Carl‑Fredrik Nordane aan Pia Hollenstein)

Het wordt tijd dat ook de FIFe‑voorzitter wat meer bij de zaak betrokken wordt en zich ten gunste van Mundikat zal inspannen: De situatie is zeer ernstig en kan onoverzienbare gevolgen krijgen. Eerst moet ik je echter meedelen dat je beslist niet juist geïnformeerd bent: Mundikat is tot op heden nog niet naar de dissidenten overgelopen. Ik sta in direct contact met hen en ze hebben mij beloofd nog enkele weken te wachten, in de hoop dat alles nog ten goede keert. De algemene mening van de FIFe‑getrouwe Mundikat‑leden is echter dat FIFe niettegenstaande haar beloftes hen de rug toegekeerd heeft of in de steek gelaten heeft. En voor deze mensen is er geen weg terug, want Felikat wil nog liever met de dissidenten onderhandelen dan met Mundikat! Je schrijft dat men ons als dictators zal zien indien het FIFe‑bestuur deze zaak overneemt. Nee, daarvoor hoef je echt niet bang te zijn. Over Alkema is men algemeen van mening, dat hij de zaak op z’n kop heeft gezet. De komende ALV zal ons gelijk geven wanneer wij verklaren dat het “Verzoeningscomité” in deze zaak gefaald heeft en niet in staat is gebleken haar opdracht te vervullen. Ik herhaal mijn opvatting dat het FIFe‑bestuur nu het recht en de plicht heeft hier in te grijpen. Zo niet, dan gaan veel keurmeesters en fokkers voor ons verloren en daarenboven ook het respect [...] zodat ook anderen in de toekomst kunnen denken, dat men eenvoudigweg met de “Alkema‑tactiek” de gehele FIFe om de vingers wikkelen kan. Ik en zeker ook jij kennen het Hollandse probleem beter dan de nieuweling Alkema en weten ook dat onrust en complicaties daar [binnen Felikat] al vele jaren sluimeren. [...] Het is nu zaak snel in te grijpen en ik zal persoonlijk de komende ALV met “Donner und Blitz” en mijn gehele temperament ervan overtuigen dat wij correct gehandeld hebben. Zoals je zeker zult begrijpen zet ik mij ook nu weer even zo intens in als [...] laatstelijk ook voor Oostenrijk. Dit weet inmiddels iedereen wel en ook dat ik direct tot de kern van de zaak doordring in plaats van “diplomatiek” om de hete brei heen te draaien. (14.12.1976: Carl‑Fredrik Nordane aan Pia Hollenstein)

De brief van Nordane lijkt effect te hebben, de FIFe‑voorzitter wordt nu openlijk “actief”: Je moet niet geloven dat ik jou en je club ben vergeten. Ik denk met veel zorg aan jullie. Men zei mij dat jullie naar de dissidenten overgelopen zouden zijn en nu schrijft Freddy mij uit Oslo dat dit helemaal niet waar is. God zij geprezen, wat ben ik blij. Wij hebben immers in Hamburg afgesproken dat Felikat en jullie het met elkaar zouden uitspreken. Felikat zei bij monde van Dr. Alkema: Ja. Nu wil ik graag weten of dit gesprek inmiddels plaatsgevonden heeft [...] Indien dit niet het geval is, dan zal ik zelf de heer Nagel ‑ niet Alkema ‑ schrijven en hem vragen het nodige te arrangeren. [...] Stuur me daarom alsjeblieft gauw bericht, zodat ik kan handelen. (28.12.1976: Pia Hollenstein aan Reiny van Haeringen)

1977 - Lieve Pia

In het jaar 1977 stuiten we op een paar van de meest komische stukjes proza uit deze hele affaire. Als je alles goed leest vraag je soms af of degenen die dit ooit aan het papier toevertrouwden wel helemaal bij hun volle verstand waren. Vaak lijkt het erop dat ze op z’n zachts gezegd nogal van de realiteit zijn afgedwaald. Oordeelt U zelf: Steeds vaker komt het voor dat menige dissidente en onafhankelijke club zich graag bij de FIFe zou willen aansluiten. Andere tekenen wijzen er weer op dat alle onafhankelijken van heel Europa zich zouden willen verenigen, maar daarvan is tot op heden nog geen sprake. Ik vraag mij nu af wat voor de FIFe het beste zou zijn, hoe moeten wij reageren. Kunnen wij niet een “amnestie” (ik gebruik dit woord totdat ik een beter gevonden heb) voor alle dissidenten, respectievelijk onafhankelijken afkondigen? Mijn vraag aan alle voorzitters en leden van de FIFe luidt: laat mij weten hoe U hierover denkt. [...] Niet zo lang geleden schreef Neocat mij [...] dat zij met 1.000 leden onder bepaalde voorwaarden - zo in de trant als Australië bij de FIFe hoort - ook met de FIFe mee zou willen doen. Wij zouden dan [...] onze statuten moeten versoepelen. [...] er zouden veranderingen moeten worden aangebracht. De vraag is willen wij dit of niet? (1.1.1977: Gedanken der Präsidentin zum Jahresanfang, Pia Hollenstein aan alle FIFe‑leden) Een schot voor de boeg?

Het wordt tijd voor zwaarder geschut. De overgrote meerderheid van het toenmalige FIFe‑bestuur, plus een groot aantal keurmeesters en commissieleden is op de hand van Mundikat. Er moeten maar eens spijkers met koppen geslagen worden. Reiny van Haeringen klimt in de pen: [...] want heel eerlijk gezegd kregen wij het gevoel dat de FIFe ons vergeten was. Nee Pia, wij zijn niet naar de dissidenten gegaan. Komt dat sprookje misschien uit dezelfde mond die ook vertelt dat de FIFe het helemaal met Felikat eens is en dat wij absoluut geen kans maken en dat Felikat ons zo lang buiten de FIFe kan houden als ze wil? [...] Onze ALV [tegelijk de constituerende vergadering van Mundikat] vond plaats op 17 september 1976. [...] Na een stemming was een krappe meerderheid voor afwachten tot de FIFe‑ALV in Genève. [...] Pia ik hoop wel dat in Genève alles in kannen en kruiken komt, want veel langer kan ik de mensen niet in de hand houden. Deze keer was het nog zo dat een kleine meerderheid voor wachten op de FIFe was. Als wij in februari opnieuw in de ijskast moeten weet ik niet of er dan nog veel mensen wachten willen, tot wanneer ...? Het is een groot offer dat de fokkers moeten brengen door niet naar tentoonstellingen te kunnen gaan, mede omdat de onafhankelijken ons met open armen toezwaaien: kom toch naar ons Mundikat, jullie zijn hartelijk welkom. [...] En dan heb ik het nog niet eens over mijzelf. Ik ben nog altijd dezelfde Reiny van Haeringen, maar niettegenstaande dat ik probeer dat te doen wat goed is voor de FIFe, nl. een tweede democratische club op te richten, moet ik in de ijskast, mag ik niet meer keuren. En dat terwijl ik al zes keer een uitnodiging van de onafhankelijken heb moeten afslaan. Daar heeft men mij nodig, daar wil men mij graag, en ik, ik zeg steeds maar weer nee. En waarom? Wachten op de genade Gods en de heer Alkema? In april vertrekt hij naar Engeland nadat hij eerst hier alles door elkaar gebracht heeft en allerlei fabeltjes rond bazuint, waardoor het nog moeilijker wordt om te geloven dat de FIFe echt om ons geeft. Pia, Pia, waarom gelooft de FIFe toch alles wat Felikat zegt, waarom mogen wij het niet zo doen als in Oostenrijk. Alleen maar omdat Felikat 3.000 leden heeft en wij maar 150. Telt dan alleen maar de kwantiteit en niet de kwaliteit? Felikat weet heel goed, dat zo gauw wij FIFe‑lid zijn, de helft van haar leden wegloopt. Mensen bellen mij dagelijks: wanneer wordt Mundikat FIFe‑lid, dan komen wij ook. De lafaards die ons alleen laten strijden en offers laten brengen. Felikat had in december geen tijd voor ons, maar wel tijd voor de onafhankelijke Kattenfokkers [ NKFV]. Felikat wilde graag onderhandelen met de Kattenfokkers om te bekijken of het mogelijk zou zijn voor Felikat‑katten daar ter dekking te gaan. Ook zouden ze, indien de Kattenfokkers aansluiting zouden zoeken bij de FIFe, hen niets in de weg leggen. [...] Daarna gevraagd zegt Felikat, dat die ontmoeting nooit heeft plaatsgevonden, maar ik ken de voorzitter van de Kattenfokkers en ik heb de notulen van deze niet‑plaatsgevonden onderhandelingen gezien. [...] Af en toe denk ik, waarom nog langer strijden voor iets dat toch al verloren is. Als dissident word ik vast ook wel gelukkig. Dan komt er echter een brief van jou en dan gaan we weer rustig verder. [...] Lieve Pia, laat ons niet in de steek, geef ons in Genève de een of andere FIFe‑status en met jouw hulp zullen we dan ook iets met Felikat kunnen bereiken, zodat in de toekomst twee goede FIFe‑clubs op vriendschappelijke wijze samen kunnen werken. Dat moet toch mogelijk zijn? Nu heb ook ik mijn jonge hart vrijelijk uitgestort. Heel veel dank dat je dit tot zover hebt willen lezen. (2.1.1977: Reiny van Haeringen aan Pia Hollenstein)

Klaarblijkelijk heeft bovenstaand epistel, een mengeling van slijmen, dreigen en zielig doen, effect. De FIFe‑voorzitter richt zich kort daarop rechtstreeks tot alle leden: Door het ontslag van Mr. Goetz Henze uit de [...] bemiddelingscommissie en omdat Dr. Alkema en Dr. Pörscht ‑ eveneens leden van deze commissie ‑ niet neutraal kunnen zijn, omdat beide heren uitsluitend betrokken mogen zijn bij de eigen problemen ‑ te weten Holland en Oostenrijk ‑ is deze commissie in mijn visie in rook opgegaan. De heer Ahlvind blijft nu als enig lid van de commissie over. Ik stel mij voor dat de disciplinaire commissie van de FIFe vanaf nu de taken van de bemiddelingscommissie zal overnemen. [...] Staat U mij verder toe, ja of nee, uit deze commissie drie leden: de heer C. Stein, de heer S. Walther de Bons en eventueel de heer C.‑F. Nordane te kiezen, die dan naar de desbetreffende landen zullen reizen, c.q. daarmee zullen corresponderen teneinde deze kwesties op neutrale wijze ten voordele van de FIFe op te lossen. (21.1.1977: Pia Hollenstein aan alle FIFe‑leden) Zij volgt hiermee het haar eerder gegeven advies van Nordane d.d. 14.12.1976. Bijgevoegd is een stembiljet waarop de FIFe‑leden hun voorkeur voor verdere afhandeling kunnen duidelijk maken. Of de door Hollenstein voorgestelde delegatie nu zo’n stuk neutraler is dan de vorige moet betwijfeld worden. Veeleer lijkt het tegenovergestelde het geval, want van twee van de drie door haar gesuggereerde kandidaten weten we inmiddels dat hun voorkeur duidelijk bij (de keurmeesters van) Mundikat ligt en ze van (het bestuur van) Felikat niet al te veel moeten hebben, Hollenstein zelf incluis.

Ook achter de schermen gaat de strijd onverdroten door: In je brief van 24.1.1977 zeg je, dat beide problemen, Holland en Oostenrijk verschillend zouden zijn. Ik denk van niet! In ieder geval niet wanneer men er in principe vanuit gaat dat een club die de oprechte en eerlijke wens heeft zich bij de FIFe aan te sluiten daaraan niet gehinderd mag worden. [...] In de FIFe staan wij momenteel voor het volgende: ÖVEK werd erkend omdat het een sterkere organisatie zou zijn dan de Club van de Kattenvrienden [ KKÖ]. Bij Felikat en Mundikat daarentegen is de sterkteverhouding onduidelijk en daarom, en alleen daarom, werd geen stelling genomen en werd deze zaak op de lange baan geschoven. Daarvoor bestaat maar één woord: huichelarij! Ik ben van mening: “Wenn schon, denn schon”. Daarvoor geldt slechts één excuus, nl. dat de ALV zich door de arrogantie van de heer Alkema heeft laten overbluffen. En nu? Nadat de heer Henze z’n vingers gebrand heeft en tot overmaat van ramp die Alkema naar Engeland vertrokken is [...] Wat blijft er dan nog van de “neutrale” commissie over? Het wordt de hoogste tijd dat de disciplinaire commissie ingrijpt als het daarvoor ten minste nog niet te laat is. (11.2.1977: Carl‑Fredrik Nordane aan Carl Stein) Dat de sterkteverhouding in Nederland onduidelijk zou zijn geweest is nonsens. Uit de stukken blijkt dat het om hoogstens 150 opstandige tegen 3.000 reguliere Felikat‑leden gaat. Het zal allemaal wel au besoin de la cause zijn geweest, maar het maakt een wat naïeve indruk!

Tot dusverre waren de belangen van Felikat door Dr. Alkema behartigd. Daar lijkt de klad in te zitten en de dreiging dat Mundikat erkend zal worden wordt almaar groter. Felikat gaat zich nu meer openlijk met de zaak bemoeien en beklaagt zich erover dat in deze zaak de regels met de voeten zijn getreden. Dat is niet verwonderlijk. Iedereen die Felikat kent weet dat dit een gezagsgetrouwe en strikt naar de regel van de wet (lees statuten en huishoudelijke reglementen) levende club is. Regeltjes zijn als het ware hun lust en hun leven. Zo als alles verliep was zeker niet in overeenstemming met welke FIFe‑regel dan ook. Het bestuur van Felikat schrijft als reactie op de brief van de FIFe‑voorzitter van 27.1.1977 een, zij het enigszins krampachtige, brief aan alle FIFe‑leden: Op de laatste ALV in Wiesbaden kwamen de problemen in Oostenrijk ter sprake, strikt volgens de agenda van de ALV. Indirect kwam meer en meer op de voorgrond het feit dat in Holland een splintergroep op het punt stond gevormd te worden. De heer Nordane, als lid van de disciplinaire commissie van de FIFe leek over informatie te beschikken met betrekking hiertoe. Informatie die niet onder de aandacht van Felikat is gebracht. U zult zich herinneren dat na ampele discussie door de ALV een commissie in het leven is geroepen [...] die als primaire taak had de gerezen problemen in kaart te brengen en daarvan verslag te doen aan de ALV, samen met een advies inhoudende welk beleid gevolgd zou moeten worden. Wat betreft Holland was de conclusie dat er geen probleem was. Wanneer een groep zich wil aansluiten bij de FIFe dan behoort het zichzelf als zodanig te presenteren conform de FIFe‑regels. [...] Het bestuur van Felikat is nu hogelijk verbaasd dat het FIFe‑bestuur tot de conclusie is gekomen dat door het vertrek van Mr. G. Henze een verdere objectieve beoordeling [objectivety test] nu tot haar competentie behoort en niet tot die van de ALV. Felikat bestrijdt dit en verzoekt het FIFe‑bestuur een buitengewone ALV bijeen te roepen, waarvan Felikat met genoegen de gastheer zal zijn. Het bestuur van Felikat is expliciet van mening dat besluiten genomen op de ALV dienovereenkomstig moeten worden uitgevoerd: hierin ligt de essentie waarom een ALV überhaupt gehouden wordt. Er volgen dan nog wat uiteenzettingen m.b.t. de competentie van de betrokkenen, de relevante regelgeving etc. Het is om deze reden dat het bestuur van Felikat zich met kracht verzet tegen de procedure zoals voorgesteld door het bestuur van de FIFe. Deze procedure is een onmogelijkheid zonder de instemming van een buitengewone ALV. (21.2.1977: Felikat aan alle FIFe‑leden)

Of deze brief van Felikat nu zo’n verstandige zet moet betwijfeld worden. Het geheel maakt een starre en weinig inschikkelijke indruk. Het lijkt er sterk op dat juist deze houding de latere acceptatie van Mundikat als FIFe‑lid alleen maar bevorderd heeft. M.a.w. dit soort reactie wekt meer weerzin op dan sympathie. Datgene wat Felikat zegt m.b.t. de regelgeving e.d. is absoluut juist, maar ze maakte lang genoeg deel uit van de FIFe om te kunnen weten dat het binnen deze organisatie zo niet werkt!

Er lijkt schot in de zaak te komen: Ik ben blij dat het gesprek met Felikat zo gunstig verlopen is, waarbij wij jullie niet forceren wilden, omdat het dan misschien minder goed afgelopen zou zijn. We hebben elkaar niet in Lausanne ontmoet maar in Genève zoals we dat altijd al deden. Alleen hebben we de “Verzoeningscommissie” niet uitgenodigd, maar slechts het FIFe‑bestuur en enkele leden van de disciplinaire commissie. Dat leek ons verstandiger. Zou je mij vertrouwelijk jullie ledenlijst kunnen zenden. Daarom hebben wij nl. allang gevraagd maar hebben deze nog niet ontvangen. Zolang het bestuur deze lijst niet in handen heeft kan verder niets beslist worden. [...] Ik heb altijd nog een petitie van zo’n 3 of 4 jaar geleden, ondertekend door 148 Felikat‑leden die vroegen een eigen langhaarclub te mogen oprichten. Daarop staan duidelijk de namen van deze leden die weg van Felikat wilden, allang voordat Mundikat bestond. Zo er bij jullie ook de handtekeningen van deze leden tussen zitten, dan kan bewezen worden dat jullie ze niet bij Felikat weggehaald hebben, maar dat ze allang naar een andere club wilden. (28.3.1977: Pia Hollenstein aan Reiny van Haeringen) U ziet het geen middel wordt geschuwd, ook niet wanneer het nauwelijks relevant is en meer weg heeft van baat het niet, het schaadt ook niet.

Nordane refereert geërgerd aan de brief van Felikat van 21.2.1977: Zoals je weet bestaat er een regel in FIFe‑statuten: Kap. I, Titel II, lid 6 waarin staat dat een “moederclub” akkoord moet gaan met een nieuwe club. Daaraan houdt Felikat ( Alkema) zich vast en ik kan je verzekeren dat ze zich daardoor niet echt populair gemaakt heeft. Zeker is, dat deze paragraaf bij de eerstvolgende FIFe‑ALV opgeheven zal worden en dan kan men geen eerlijke club er meer aan hinderen lid te worden. Ik kan begrijpen Reiny dat je momenteel niet weet hoe verder, maar ingeval het ergste gebeuren zou dan heb ik een voorstel: stuur mij een kopie van een lijst met daarop de FIFe‑getrouwe leden. Ik zal deze lijst streng geheim bewaren en voorzien van de datum en mijn handtekening, om dan later te kunnen gebruiken. Ik zal mij er dan t.z.t. voor inzetten, dat die leden, die vanwege hun fokactiviteiten gedwongen waren naar de dissidenten over te gaan, weer terug mogen komen. [...] Ik wilde je nog zeggen Reiny, de FIFe is jullie niet vergeten! Ze kunnen daarentegen ook niet handelen in strijd met hun eigen regels. (Deze regels waren misschien in oude tijden een soort van garantie, maar zijn voor onze problemen niet meer van deze tijd.) Alsjeblieft Reiny niet vergeten: tijdig vóór de FIFe‑ALV een formeel verzoek indienen om als lid geaccepteerd te worden. Stel je daartoe maar in verbinding met de heer Heribert Bayer bij de ÖVEK, en groet hem hartelijk van mij en vraag hem hoe zij dit indertijd geformuleerd hebben. Wanneer dan die ongelukkige regel weggevallen is kan de ALV dit verzoek onmiddellijk inwilligen. [...] Ik begrijp je zorgen volkomen en bewonder je opofferende werk voor je mensen. Daar moet toch uiteindelijk iets goeds uit voortkomen. Daarom: “Kopf hoch Suzanne”. De ÖVEK had toch ook bijna alles al opgegeven. In een pauze tijdens de laatste FIFe‑ALV zeiden ze: “Nu is alles verloren, nu gaan we over naar de dissidenten en dan zullen we de FIFe met alle mogelijke middelen bestrijden.” Ik heb ze toen bij de uitgang staande gehouden en gezegd dat er toch nog wel een mogelijk bestond. En gelukkig bestond er ook werkelijk een. Hoe dat in z’n werk ging wil ik je liever niet schrijven maar, wanneer wij elkaar weer eens treffen, in een persoonlijk gesprek uiteenzetten. (31.3.1977: Carl‑Fredrik Nordane aan Reiny van Haeringen)

De FIFe‑voorzitter lijkt opeens wat huiverig te worden en bijgevolg wat minder toeschietelijk. Als antwoord op een door Mundikat aangevraagde nationale tentoonstelling antwoordt ze: [...] de antwoorden [van het bestuur en de disciplinaire commissie die hiervoor toestemming moesten geven] heb ik nu in handen en ik moet helaas zeggen dat allen, met uitzondering van de heer Nordane uit Noorwegen, er tegen zijn. [...] Wij hebben met de ÖVEK in Oostenrijk op de laatste ALV in Wiesbaden een zeer onaangenaam precedent geschapen. Wij hebben nu grote moeilijkheden met Oostenrijk, d.w.z. met de oude club [ KKÖ] daar, en dat stimuleert beslist niet om nogmaals zo’n precedent te scheppen. Het beste is dat jullie met Felikat tot overeenstemming komen want ik kan niets in strijd met de statuten ondernemen, zonder het risico te lopen daarvoor later aansprakelijk gesteld te worden. Ik vind het zo jammer dat ik dit schrijven moet ‑ maar het is nu eenmaal zo. (30.4.1977: Pia Hollenstein aan Reiny van Haeringen)

Op 10 mei 1977 meldt Mundikat zich formeel als kandidaat-lid: U heeft er ongetwijfeld kennis van genomen, dat een belangrijke groep voormalige leden van de Nederlandse organisatie Felikat, die erop staan lid te blijven van de FIFe, maar zich binnen Felikat niet langer thuis voelen, een nieuwe organisatie opgericht hebben, Mundikat genaamd. Men realiseert zich dat onder de toen geldende FIFe‑bepalingen een tweede club in een land alleen mogelijk is met instemming van de oudere FIFe‑club. Dat lijkt nog niet te lukken: Alhoewel een ontmoeting tussen de bestuursleden van Mundikat en die van Felikat in een vriendelijke atmosfeer plaatsvond, geloven wij niet, dat op korte termijn een federatie met Felikat tot de mogelijkheden zal behoren. Verwijzend naar een ophanden zijnde statutenwijziging die niet langer die instemming van Felikat zou vereisen: [...] vragen wij het bestuur en de Algemene Ledenvergadering van de FIFe vriendelijk Mundikat als FIFe‑lid toe te laten. Eigenlijk kan dit verzoek beschouwd worden als hebbende, althans in theorie, de instemming van de vereniging Felikat, omdat een van de leden van het bestuur in een bericht in Felikat Magazine zich in die zin geuit heeft. Verwezen wordt naar de hiervoor besproken opmerkingen van Dr. Alkema op de BALV van Felikat op 20.9.1976 weergegeven in Felikat Magazine 1977, 2, 17‑19. Wij geloven dat dit de deur zal openen voor een toekomstige federatie van beide verenigingen, die op zich weer zal leiden tot een nauwere samenwerking van een groter aantal Nederlandse clubs binnen de structuur van de FIFe en de tendens, om meer en meer dissidente organisaties op te richten die de wetenschappelijke fok van katten schade doet, zal doen stoppen. (10.5.1977: Mundikat aan de secretaris van de FIFe p/a Carl‑Fredrik Nordane)

Het FIFe‑secretariaat laat op 24.5.1977 aan Mundikat weten dat de brief van 10.5.1977 begin juni op een kleine bestuursvergadering besproken zal worden. Er zit nu schot in. Op 2 juni 1977 deelt Lottemarie Heuser, secretaresse van de FIFe, mee nog niets daadwerkelijk te kunnen ondernemen, maar te hopen dat op de komende ALV in Parijs een positief besluit t.a.v. Mundikat kan vallen omdat dan ook een revisie van de FIFe‑statuten op de agenda staat.

Van allerlei kanten stromen nu de aanmoedigingsbrieven binnen. Een zeer positieve en van grote realiteitszin getuigende reactie (een uitzondering in deze kringen) komt van Carl Stein: Zoals U zeker weet ben ik de mening toegedaan dat de FIFe beweeglijker moet worden en haar poorten moet openen voor integere verenigingen die graag lid willen worden. De kattenliefhebberij heeft een overweldigende groei doorgemaakt en veel nieuwe clubs zijn opgericht. Blijft de FIFe doorgaan met het afwijzen van aanvragen tot opname als lid, zo zal zij stagneren, en zullen op een goede dag, zij die ooit afgewezen werden zelf een FIFe oprichten en die zou heel goed groter kunnen worden dan wij. Op grond van deze vaststelling heb ik mij er voor ingezet dat in Oostenrijk de daar ontstane tweede vereniging, tegen de wil van de bestaande FIFe‑vereniging die geen andere Goden naast zich duldt, alle ruimte en mogelijkheden gegeven zijn. Alleen de officiële erkenning ontbreekt nog. Na er op gewezen te hebben dat ook zijn handen nog door de statutaire bepalingen gebonden zijn eindigt hij: Verheugend is het, dat Dr. Alkema zijn tot dusverre volharde standpunt lijkt te veranderen en tegenover de acceptatie van nu nog buitenstaande verenigingen ‑ dus ook de Uwe ‑ niet meer zo afwijzend staat. (22.5.1977: Carl Stein aan Mundikat) Ook Ravel, de Grande Dame van de FIFe betuigt haar steun: Weest U ervan verzekerd, dat ik binnen het kader van mijn beperkte mogelijkheden en niettegenstaande mijn weinig gehoorde stem ik er voor zal blijven pleiten, dat Felikat een nationale federatie zal toelaten waarin alle Nederlandse clubs verenigd kunnen worden. (30.5.1977: Mm M. Ravel aan Mundikat)

Het eerste incident ‑ Falkena exit!

Mundikat is nog niet eens FIFe‑lid of de eerste perikelen doen zich al voor. De initiatiefneemster Maria Falkena wordt op weinig elegante wijze de nieuwbakken vereniging uitgeknikkerd. Officiële reden: ze had het gewaagd tegen de FIFe‑regels in toch bij een niet‑FIFe‑club te showen. Voorwaar een halsmisdrijf! [...] heeft U het nuttig geoordeeld op een tentoonstelling van z.g. onafhankelijke kattenverenigingen te exposeren, hetgeen het bestuur uit eigen waarneming en protesten van verschillende leden moest vaststellen. [...] Daar erkenning van Mundikat door FIFe voor U blijkbaar van ondergeschikt belang is, raadt het bestuur U aan zich bij een van de onafhankelijke kattenverenigingen aan te sluiten en Mundikat te verlaten. (10.3.1977: Mundikat aan Maria Falkena‑Röhrle) Falkena, niet op haar mondje gevallen, diende het bestuur direct van repliek: Jammer, dat het bestuur van Mundikat niet de tolerantie bewaart tegenover andere verenigingen, waar dit aanvankelijk werd beloofd en die terecht verwacht mocht worden; dat het haar leden de vrijheid niet geeft die een van de redenen van de oprichting was [...] Zolang Mundikat een niet bij de FIFe aangesloten club, dus een onafhankelijke club, is zal ik mij als lid van een dergelijke club gedragen en kunnen gedragen. [...] Blijft nog de vaststelling, dat het een kwestie van smaak is, of men nog langer wil antichambreren bij een instituut (FIFe), dat bij alle goede wil die aanwezig geweest moge zijn, getoond heeft niet op te kunnen tegen een van haar leden (Felikat) (Maart 1977: Maria Falkena‑Röhrle aan Mundikat) Het zal duidelijk zijn dat voor het soort vrijheid waar hier op gedoeld wordt, binnen de toenmalige FIFe, geen enkele ruimte was. Helaas is daarin tot op de dag van vandaag nauwelijks verandering gekomen.

Van Haeringen haast zich de FIFe‑voorzitter van dit heuglijke nieuws in kennis te stellen. Er komt een bevredigend antwoord, waarin bovendien de vermoedelijk ware reden voor haar gedwongen vertrek vervat is: [...] dat Mevr. Falkena moeilijk is, wist ik al langer en ook. Dr. Alkema zei mij dat deze vrouw nergens tevreden zal zijn en zich nooit aan de regels zal houden, ook niet in de nieuwe club. Helaas heeft hij daarin gelijk gekregen en ik ben daarom van mening dat het beter is dat zij bij jullie weggaat, want anders zouden jullie toch steeds maar ruzies krijgen. (28.3.1977: Pia Hollenstein aan Reiny van Haeringen) Exit Falkena met de zegen van de FIFe‑voorzitter, mooier kan het haast niet! Wat in deze kringen onder moeilijk verstaan wordt is meestal dat men een eigen mening heeft. Dat wordt zelden of nooit gewaardeerd. Dan ben je moeilijk, je loopt immers niet in het door anderen uitgestippelde gareel, je valt uit de toon.

Later reageert Mundikat op de brief van Falkena n.a.v. de uitzetting uit de vereniging: Je hebt ten overstaan van alle bestuursleden gezegd persé te willen showen bij de onafhankelijken en je daarom uit het bestuur terug te trekken. Toen je niet op de clubmatch kwam 2 april en ook geen bericht van verhindering stuurde concludeerden wij eens te meer dat je jezelf niet meer als bestuurslid beschouwde. We verwachtten nl. wel van onze bestuursleden dat ze op de eerste openbare manifestatie van Mundikat aanwezig waren. [...] Het Mundikat‑bestuur is geen duiventil waar je naar believen in en uit kunt fladderen. (Medio 1977: Mundikat aan Maria Falkena‑Röhrle)

Eerder meldt Van Haeringen: Toen kwam de verkiezing van het bestuur. De samenstelling is ietwat veranderd: de heer Dr. Doeksen, voorzitter; Mevr. Van Haeringen, 1e secretaris; de heer Verloop, penningmeester; Mevr. Hinfelaar, 2e secretaris en Mevr. Rooker, stamboeksecretaris. Mevr. Falkena had te kennen gegeven zich liever te willen wijden aan ons tijdschrift i.p.v. het geld te beheren. (2.1.1977: Reiny van Haeringen aan Pia Hollenstein) Falkena zelf zegt hiervan: Ik nam de functie van penningmeester op mij, omdat op dat ogenblik niemand anders daartoe bereid was. Mijn “vrienden” beloofden mij, dat ik later de redactie van het verenigingsblad zou krijgen en het bestuur dan zou worden uitgebreid tot zeven leden, zodat ook voor het hoofd van de tentoonstellingscommissie en de redactie de mogelijkheid tot nauw contact met de overige bestuursleden zou blijven. Tien minuten voor het begin van de algemene vergadering in Utrecht deelde Mevrouw van Haeringen mij mede, dat zij met de heer Dr.Ir. Doeksen had besloten, het bestuur niet uit te breiden en ik dus plaats moest maken voor een nieuwe penningmeester. Dit, ofschoon op een voorgaande bestuursvergadering anders besproken was. Zo verloor ik op de eerste algemene vergadering reeds mijn plaats in het bestuur. (Maart 1977: Maria Falkena‑Röhrle aan Mundikat) Al met al hebben we hier een aantal, nogal van elkaar verschillende, lezingen, m.b.t. het vertrek van Falkena. Al naargelang de omstandigheden en de persoon een andere versie ... In de volgende afleveringen van Felina Comedia (de affaire Fife News) zullen we zien dat Van Haeringen wel vaker nogal creatief met de waarheid weet om te gaan!

1978 ‑ land in zicht!

Uit de correspondentie blijkt dat Mundikat op de ALV in Parijs (1977) spontaan als lid werd geaccepteerd. Felikat meldt haar leden m.b.t. de FIFe‑ALV in Praag in 1978: Drie verenigingen uit landen, die al aangesloten zijn bij de F.I.F.E., vragen toestemming om als 2e lid per land toegelaten te worden tot de F.I.F.E. Het gaat hier om: Mundikat naast Felikat, Övek naast de Oostenrijkse K.K.Ö, en de DRU naast de Duitse D.E.K.Z.V.e.V. Aangezien de oude statuten dit echter niet toelaten, wordt besloten de beslissing 1 jaar uit te stellen [...]. Intussen kunnen de betreffende verenigingen tot de noodzakelijke federatieve verbanden komen. In deze interimperiode gelden voor de drie aspirant F.I.F.E.‑leden alle voordelen die in 1976 zijn vastgesteld [...] Felikat stelde voor, gezamenlijk met Mundikat een voorstel in te dienen tot toetreding van Mundikat. (Felikat Magazine, 1979, 5, 33) Nu Mundikat niet meer tegen te houden is draait Felikat de zaak gemakshalve maar om en proclameert zichzelf als dé stuwende kracht par excellence achter een nieuw tijdperk van samenwerking ... Gelet op hetgeen blijkt uit de hiervoor en hierna gevoerde correspondentie lijkt dit enthousiasme en deze spontaniteit op z’n zachts gezegd hypocriet. Toch lezen we: Nationaal gezien zal 1979 voor Felikat de geschiedenis ingaan als het jaar waarin daadwerkelijk een aanvang gemaakt is met de samenwerking met andere Nederlandse verenigingen die hetzelfde doel nastreven, met name het nieuwe F.I.F.E.‑lid, Mundikat. (Felikat Magazine, 1979, 6, 1) Of Mundikat nu vanaf 1977, 1978 of 1979 echt volwaardig FIFe‑lid is of dat er nog beperkingen zijn komt nergens echt goed uit de verf. Deze onduidelijkheid zal nog vaak voor problemen zorgen, waarbij de rol van Felikat i.t.t. alle mooie woorden bepaald geen schoonheidsprijs verdient.

De oudste Noorse club, Norsk Rasekatt Klubb (NORAK) heeft bij gelegenheid van haar 40‑jarig jubileum tentoonstelling 2 keurmeesters van Felikat en één van Mundikat uitgenodigd. Tot mijn verbazing hoor ik nu, dat geen enkele Mundikat‑keurmeester als zodanig fungeren mag. Bij gelegenheid van de laatste FIFe‑ALV werd door stemming Mundikat spontaan tot de FIFe toegelaten, niettegenstaande het protest van Felikat, en werd haar bijgevolg toegestaan FIFe‑tentoonstellingen te organiseren en ook aan andere FIFe‑tentoonstellingen als exposant deel te nemen. Dus volledige ontplooiingsmogelijkheid! Wat betreft hun FIFe‑keurmeesters werden generlei beperkingen of voorwaarden genoemd. Nu heet het [...]: “De heer Nordane heeft het niet goed begrepen.” [...] Van wie komt dit verbod inzake Mundikat‑FIFe‑keurmeesters? Komt het misschien door het een of andere protest van keurmeesters die er bang voor zijn minder uitnodigingen te ontvangen wanneer de Mundikat‑keurmeesters weer actief worden? Of zweeft de geest van de heer Alkema nog altijd over de wateren? Of zijn er andere redenen? Ik kan U verzekeren dat ik mij geen rust zal gunnen voordat ik al deze heimelijk redenen uitgerookt heb! Het verwijt gaat richting Felikat: Het kan niet geduld worden, dat de uitvoering van [...] besluiten verhinderd wordt door krampachtige en spitsvondige vertragingstactieken van Felikat. Afwachten op de protocollen [notulen] geldt alleen voor statutaire en reglementswijzigingen, e.d. De in de aanhef van deze brief genoemde FIFe‑keurmeester van Mundikat heeft van mij [...] de uitnodiging om te komen keuren gekregen. Deze uitnodiging zal, daarvoor neem ik de volle verantwoording op me, niet ingetrokken worden. [...] Ten slotte zou ik graag zien dat Mundikat’s FIFe‑keurmeesters, net zoals de toekomstige van de ÖVEK, op de lijst van FIFe‑keurmeesters geplaatst worden. Zeker wanneer daar wel de bij de dissidenten keurende Engelse [ GCCF] keurmeesters op staan. (22.1.1978: Carl‑Fredrik Nordane aan Pia Hollenstein)

Op 15 februari 1978 vindt dan uiteindelijk een vruchtbare bespreking tussen de besturen van Felikat en Mundikat plaats. Men besluit op korte termijn tot samenwerking te komen [...] mits de autonomie van beide organisaties niet wordt aangetast. Deze gezamenlijke verklaring eindigt met een zinsnede die hen nog lang zou achtervolgen: Tenslotte verklaren beide besturen zich bereid tot constructieve samenwerking met existerende onafhankelijke verenigingen, mits de FIFe‑regels als uitgangspunt worden geaccepteerd. Alsof ze van de pot gerukt zijn! In een opsomming van punten van overweging bij een (beoogde) samenwerking tussen Neocat en de FIFe uit 1978 zegt men over deze idiote opmerking van de besturen van Felikat en Mundikat: Deze laatste zin maakt voor ons samenwerking erg moeilijk, omdat: a. Wij kennen de FIFe‑regels niet en als we erom vragen bij FIFe of Felikat krijgen we ze niet; b. We weten echter genoeg van de FIFe‑regels, o.a. hun principe dat iedereen die in enig opzicht afwijkt van de regels is een zwart‑schaap. Conclusie: FIFe moet vooral haar regels handhaven, behalve die regels die een straf‑karakter hebben ten aanzien van lieden die uit eerlijke motieven iets anders willen doen. De eindconclusie klinkt bekend in de oren, dat horen we de laatste tijd ook vaak: De onderwerpen die de verenigingen te samen zouden willen aanpakken, zoals stamboekzaken, rassenlijsten, dekkatergebruik, erkenning keurmeesters, erkenning stamboekpapieren, gebruik cattery‑namen, melden en afmelden besmettelijke ziekten zouden moeten worden bestudeerd, doorgespit en vastgelegd in ontwerp afspraken/regels. Dit werk zou direct kunnen worden begonnen, niet wachten tot de FIFe‑regels zijn verzacht. (Augustus 1978: Memorandum: Punten te overwegen bij de samenwerking van Neocat en Felikat etc.) Van de hier genoemde intenties kan alleen gezegd worden dat het bij intenties gebleven is en er daadwerkelijk nimmer iets tot stand kwam, niet met de FIFe en niet zonder haar, maar wie had dat in alle oprechtheid verwacht?

Het tweede incident - de slag om Den Haag

Niet alleen met Felikat lopen de contacten stroef, al in het eerste jaar van haar bestaan komt Mundikat in aanvaring met de grote onafhankelijke Nederlandse Kattenfokkers Vereniging (NKFV). Deze informeert in 1978 bezorgd bij de nieuwbakken club naar hun plannen om een tentoonstelling te organiseren in Den Haag, de stad waar zij sinds jaar en dag ook een kattenshow houdt. Voor een goed begrip: dit alles stamt nog uit de tijd toen verenigingen zich nog goed realiseerden dat de markt niet overvoerd moest worden met shows en men er terecht vanuit ging dat één show in een stad als Den Haag per jaar ruimschoots voldoende was. Wij zijn met stomheid geslagen, dat u dit geheel zonder enig overleg heeft beslist, en als showplaats ‘s-Gravenhage heeft gekozen waar onze vereniging al 11 jaar lang haar jaarlijkse grote show heeft [...] er een ongeschreven wet is tussen alle verenigingen in Nederland, Felikat inkluis, om elkaar niet in de wielen te rijden bij het organiseren van shows, zowel met data als lokaties [...] Tijdens onze bestuursvergadering van 3 maart j.l. hebben wij besloten te eisen dat u terugkomt op uw voornemen om in ‘s-Gravenhage te organiseren, en een andere stad uit te zoeken. Dat er intussen diverse grote steden geclaimd zijn door oudere verenigingen is logisch, en [dat] dit ongemak voor u zal [meebrengen], nemen wij aan, [dat u zich] gerealiseerd [zult] hebben toen u een vereniging ging oprichten. (6.3.1978: Drs.Ing. J.C. Brugman, namens de NKFV aan Mundikat) Van Haeringen antwoord met een stalen gezicht: Na enige telefoongesprekken met Uw voorzitter en een privé gesprek met Uw secretaris is het ons duidelijk geworden dat er bij U bezwaren bestaan tegen onze tentoonstelling in Den Haag [...] U bent 2½ maand voor ons in den Haag met een grote tentoonstelling en veel publiciteit. Wij komen een paar maanden later met een kleine tentoonstelling en zo goed als geen publiciteit. Dat is dus financieel in ons nadeel. Volgend jaar maart weet niemand in den Haag meer dat wij er waren, men herinnert zich alleen nog de show van U. Wij hebben in ons enthousiasme om een tentoonstelling te kunnen organiseren voor onze leden in F.I.F.E. verband er geen moment aan gedacht dat U daar bezwaren tegen zou kunnen hebben. (13.3.1978: Mundikat aan de NKFV) De NKFV is bang dat het alemaal niet is doorgedrongen - ze realiseren zich wellicht onvoldoende dat Mundikat in die tijd als FIFe-lid nu net zo aankijkt tegen de dissidenten als de andere FIFe-clubs en niet eens de moeite neemt om behoorlijk te antwoorden - en rappelleert op 19 april 1978 nogmaals aan deze zaak onder bijsluiting van een kopie van hun bief van 6.3.1978 [...] welke brief U klaarblijkelijk op 13 maart j.l. nog niet had ontvangen. Die brief had Mundikat wel degelijk ontvangen. Op deze brief staan nl. de aantekeningen op basis waarvan de brief van 13.3.1978 werd opgesteld! Mundikat doet alsof haar neus bloedt, het zijn toch maar dissidenten, of niet soms?

Andermaal komt er een herinnering van de NKFV aan Mundikat die nog steeds die Unschuld vom Lande speelt: [...] willen wij U nogmaals herinneren aan de mondelinge afspraak die U hebt gemaakt met onze heer Brugman aangaande eventueel te organiseren shows door onze beide verenigingen in Den Haag. U zegde toen toe, geen show in deze stad te organiseren indien de N.K.F.V. hier een show zou hebben. Helaas moeten wij constateren dat van deze afspraak niet veel terecht is gekomen [...] wij hopen op korte termijn te vernemen wat Uw werkelijke standpunt in deze is. (12.7.1978: NKFV aan Mundikat) Meer dan een jaar later antwoord Mundikat: Wij bepalen van jaar tot jaar in overleg met de F.I.F.E. en Felikat [dat heeft ook niet lang geduurd] de plaatsen waar we een tentoonstelling organiseren. Van Uw vereniging hebben wij nooit meer enig bericht ontvangen, nadat één van Uw leden mij met een knokploeg bedreigde als ik toch naar Den Haag zou komen. [...] Bovendien zijn wij van mening dat het erg moeilijk is een stad voor één vereniging te reserveren. Wij zijn te allen tijde bereid tot overleg [...] maar tot zolang houden wij ons de vrijheid voor weer een tentoonstelling in den Haag te organiseren, indien wij geen andere mogelijkheid kunnen vinden. (15.9.1979: Mundikat aan de NKFV) Daarmee liet Mundikat duidelijk merken er geen flauw benul van te hebben wat samenwerking in de praktijk nu eigenlijk precies inhoudt en verschuilt zij zich wel heel gemakkelijk achter allerlei dooddoeners. Geen andere mogelijkheid om te showen in heel Nederland dan alleen maar in Den Haag? De NKFV laat uiteindelijk ten einde raad weten: Wij zullen daarom dan ook overwegen welke adequate maatregelen wij hiertegen zullen moeten ondernemen. (13.10.1979: NKFV aan Mundikat) Afgezien van de vraag of een vereniging een stad wel of niet kan claimen moet toch vastgesteld worden dat Mundikat er wel heel weinig aan gelegen lag goede betrekkingen met de niet-FIFe-clubs te onderhouden. De uitdrukking wanneer niets wordt tot iets, kent iets zichzelf niet meer lijkt voor het toenmalige Mundikat-bestuur in deze context heel toepasselijk.

1979 - Felis Neerlandica ‑ een zorgenkindje

De FIFe stond er indertijd op dat de beide Nederlandse FIFe‑clubs één federatie zouden gaan vormen. Geen van beide heeft hier echt zin in. Desondanks worden toch met enige regelmaat besprekingen gevoerd, maar veel lijkt het allemaal niet uit te halen. Al voordat de federatie een feit is, is er al sprake van het overleg weer op gang te laten komen (9.4.1979: Felikat aan Mundikat) Ook Mundikat ziet weinig heil in deze schertsvertoning, voorzitter Doeksen merkt zuinigjes op: Van Mundikat is een aanvraag om erkenning verzonden naar de FIFe. Dit heeft geen zin meer als de federatie een feit is. (30.10.1979: Verslag bespreking Felikat/Mundikat ... Utrecht ... 29.10.1979) Lid worden van de FIFe was natuurlijk het enige doel waarnaar gestreefd werd, maar de eis was nog steeds ‑ althans formeel ‑ dat beide clubs een federatie zouden gaan vormen, die dan het Nederlandse FIFe-lid zou worden. Op 15 oktober 1979 berichten de besturen van Felikat en Mundikat dat deze federatie m.i.v. 1 november 1979 (notariële akte d.d. 2.11.1979) een feit zal zijn. Het kind zal Felis Neerlandica (FN) gaan heten, wellicht vernoemd naar haar oudere Deense zuster: Felis Danica.

Was het allemaal wel echt nodig geweest? Rossi, secretaris van de FIFe, schrijft FN namens het bestuur: Er bestaat geen enkele statutaire verplichting dat clubs in één land zich zouden moeten onderwerpen aan een (gezamenlijke) overeenkomst. Wij refereren slechts aan Uw eigen brief d.d. 15 oktober 1978 [moet zijn 1979] [...] waarin U ons informeert dat vanaf 1 november 1979 Felikat en Mundikat één federatie zullen vormen. [...] Aan de andere kant herinneren wij U eraan, dat het de informatie, gegeven tijdens de ALV in Brussel november vorig jaar dat in Nederland een federatie zou zijn opgericht, is geweest die de gedelegeerden op deze ALV heeft doen besluiten in te stemmen met Mundikat. (29.9.1980: FIFe aan FN) In de protocollen van de FIFe‑ALV in Amsterdam 1984 lezen we (pag. 28, verslag van de secretaris): Felikat en Mundikat willen onder geen beding hun status als FIFe‑lid verliezen [...] voor de FIFe is Felis Neerlandica een fictieve federatie die in de praktijk geen lid is. Felikat merkt enige jaren later terecht op [...] dat de betekenis van deze vereniging [ FN] na de toestemming van de FIFE tot het individuele lidmaatschap van Felikat en Mundikat, snel te niet ging. (21.9.1989: Rory Carels aan Mr. Lenny Jagtenberg en de HB‑leden van Felikat). Erg veel animo is er nooit geweest, van geen van beide kanten.

De bezwaren van Felikat tegen Mundikat en de opgelegde samenwerking met deze club richtten zich, afgezien van de wrevel dat deze 2e FIFe‑vereniging er ondanks alles toch gekomen is, vooral tegen de sta